Feiten en fabels rondom mestvergisting

Feiten en fabels rondom mestvergisting

Onlangs verzorgde CCS een presentatie voor de gemeenten die onderdeel zijn van de RES regio West-Overijssel. De presentatie ging over groen gas en alles wat er bij de productie en afzet hiervan komt kijken. Een belangrijke kwestie die voorbijkwam, was de kritiek die veel gemeenten, en wij uiteraard ook, te horen krijgen als ze beginnen over biogas- en groen gasproductie. Maar, is deze kritiek wel terecht? Wij vinden van niet. Zeker als we praten over mono-mestvergisting. Daarom leggen we in dit artikel een paar veel gehoorde fabels over mestvergisting, maar ook een paar interessante feiten uit.

Nuanceverschil

Het is bij het geven van kritiek, of het uiten van fabels en feiten wel belangrijk om het verschil tussen mono-mestvergisters en co-vergisters scherp te hebben. Want, door nuanceverschillen ontstaat er weleens onduidelijkheid. Bij mono-mestvergisting wordt enkel 100% mest vergist. Een co-vergister moet voor minimaal 50% met mest worden gevoed, hier mogen gewasresten of reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie (co-producten) aan toegevoegd worden.

fabels over mestvergisting

Fabel: door een vergister verdwijnt mest en los je het mestoverschot op

Mestfraude is een bestaand en bewezen fenomeen. Het is alleen onduidelijk hoe vaak dit gebeurt. De reden dat zoveel boeren en mesthandelaren frauderen is dat Nederland een mestoverschot heeft. Dit betekent hoge kosten voor het herverdelen en exporteren van alle meststromen. Hoe hoger de kosten, hoe interessanter fraude wordt. Een vergister, ongeacht of het om een mono-mestvergister of een co-vergister gaat, zet een deel van de mest om in biogas. Dus er “verdwijnt” mest en dus lijkt dit ook een interessante manier om het mestoverschot mee op te lossen of eventueel mee te frauderen. Gedurende het vergistingsproces wordt slechts 3-4% van de ingaande massa omgezet: dat schiet natuurlijk niet op. Dit maakt vergisting dus onaantrekkelijk als oplossing voor je mestoverschot.

Feit: fraude met reststromen voor co-vergisters nog niet bewezen.

Vervolgens zijn er aanwijzingen over fraude met reststromen, dit geldt dus alleen voor co-vergisting. Dit wordt allemaal nog onderzocht, maar het lijkt erop dat een aantal leveranciers van reststromen voor co-vergisters ook handelt in afvalstromen die niet mogen worden vergist. Deze afvalstromen worden op papier “omgekat” tot reststromen, bijvoorbeeld als ze van Duitsland naar Nederland worden vervoerd. Zo wordt afval gedumpt in vergisters. Ook hier is het lastig de omvang van de fraude te beoordelen, maar het OM doet momenteel onderzoek naar de sector als geheel.

Fabel: vergistingsinstallaties veroorzaken geuroverlast

Naast fraude is er vaak kritiek op de geuroverlast die vergistingsinstallaties veroorzaken. Hier is mono-mestvergisting ook een uitzondering op. Geur ontstaat door de vorming en verspreiding van verschillende gassen (zoals ammoniak en zwavelverbindingen). Dit wordt op een veehouderij vaak door de mest veroorzaakt, daarbij zijn er nog verschillen in geurproductie tussen verschillende diersoorten. Mestopslagen en -kelders zijn de voornaamste bron van deze gassen, omdat hier in feite hetzelfde proces als in een mestvergister plaatsvindt. Het voordeel van een vergister is dat deze gasdicht afgesloten is, waardoor de gassen die hier ontstaan worden opgevangen en dus niet verspreid worden in de omgeving. De geurproductie op een veehouderijbedrijf wordt door mestvergisting dus eerder minder dan meer.

Feit: co-vergisters kunnen wél geuroverlast veroorzaken

Dit ligt heel anders voor co-vergisters die dicht bij de bebouwde kom worden geplaatst, bijvoorbeeld op een industrieterrein. Hier wordt dezelfde geur geproduceerd in een omgeving die dit niet gewend is. Daarnaast zijn de installatie veelal grootschaliger, dus meer geur. Ook de opslag van (afbrekende) co-producten kan voor geuroverlast zorgen.

Feit: subsidie is nodig om biogasproductie rendabel te maken

Op de subsidie die vrijwel alle vergistingsinstallaties nodig hebben om rendabel te kunnen draaien is eveneens kritiek. Zonder de gigantische hoeveelheden subsidie die hier elk jaar naartoe gaan zou biogasproductie niet rendabel zijn. Deze opmerking klopt, maar dit geldt voor vrijwel alle duurzame energiebronnen. Dit ziet de EU ook zo, het gaat jaarlijks om zo’n 8 miljard euro volgens milieudefensie. Ter vergelijking: het SDE++-budget is al jaren rond de 5 miljard euro. Er zijn ook voorbeelden van vergisters die ondanks de subsidie die zij ontvangen niet rendabel kunnen blijven draaien. Dit gaat weer veelal om co-vergisters. Deze zijn afhankelijk van de prijzen van co-producten die sinds het opstellen van de business cases sterk gestegen zijn. Aanvullend benutten de meeste van deze installaties hun biogas door het met behulp van een WKK om te zetten in elektriciteit en warmte. De elektriciteitsprijzen zijn eveneens gedaald. Hierdoor draaien een heel aantal van deze installaties inmiddels verlies of zelfs helemaal niet meer.

fabels over mestvergisting

Fabel: vergisters hebben een grote kans om te exploderen

Er zijn nog meer fabels rondom vergisting. Sommige belanghebbenden wijzen bij vergisters bijvoorbeeld op het explosiegevaar. Voor een explosie met een methaanmengsel (zoals biogas en aardgas) moet tussen de 4,4% en 16% methaan aanwezig zijn: de explosiegrenzen. In een vergister is het methaangehalte echter veel hoger, rond de 55%. Dit betekent dat er te weinig zuurstof aanwezig is voor een explosie, biogas is dus geen explosief mengsel. Hoewel bij een lekkage rondom vergisters een explosief mengsel kan ontstaan zal dit toch niet tot een explosie leiden. Explosies zijn namelijk alleen mogelijk als dit mengsel ontstoken wordt in een omgeving waarin genoeg druk kan worden opgebouwd. De laatste mogelijkheid is als bijvoorbeeld buitenlucht in de vergister terechtkomt, waardoor het methaangehalte tot onder de 16% daalt. De meeste vergisters hebben een flexibel dak van een gasdicht zeil. Dit zeil scheurt relatief snel, waardoor een explosie wederom is uitgesloten: er kan niet voldoende druk worden opgebouwd. Dit neemt niet weg dat het brandbare gas dat wordt geproduceerd in het geval van brand alsnog een reëel risico vormt. Daarom zijn de regels voor de brandveiligheid van dergelijke installaties ook erg streng.

Fabel: vergisting houdt de intensieve veehouderij in stand

Een andere fabel is dat vergisting de intensieve veehouderij in stand houdt en hiervan afhankelijk is voor zijn grondstoffen. Om te beginnen wordt op dit moment minder dan 5% van alle mest in Nederland vergist. Als we, als extreem voorbeeld, de veestapel zouden halveren is dus nog altijd ruim voldoende mest voorhanden om een grote hoeveelheid biogas te produceren. Of de intensieve veehouderij in al zijn vormen moet verdwijnen en wat er precies onder intensieve veehouderij valt zijn discussies op zich. In dit voorbeeld ga ik er vanuit dat de zogenaamde “megastallen” een onderdeel van de intensieve veehouderij is dat we niet in stand willen houden. Dit zijn locaties met meer dan 250 grootvee-eenheden, bijvoorbeeld 250 melkkoeien of 1.250 vleesvarkens.

Voor sommige oplossingen is een bepaalde minimum hoeveelheid mest nodig om rendabel te zijn. Denk aan groen gasproductie, hiervoor is een megastalhoeveelheid mest nodig. Een alternatief is echter een samenwerking tussen kleinere boeren: een biogas-HUB. Kleine bedrijven, met kleine vergisters leveren gezamenlijk hun energie (warmte, elektriciteit, groen gas). Geen gesleep met mest, geen grote installaties, maar wel een gezond verdienmodel en duurzame energie. Bijkomend argument is dat kleine bedrijven, die we dus in stand willen houden, relatief veel meer belang hebben bij een neventak als energieproductie. Dit kan een substantieel deel van de inkomsten vormen.

Fabel: de verbranding van biogas draagt bij aan het broeikaseffect

Tot slot de CO₂-fabel: bij het verbranden van biogas komt net als bij het verbranden van aardgas CO₂-vrij, dus draagt het gebruik van biogas alsnog bij aan het broeikaseffect. Als we de verbranding van aardgas bekijken dan is deze energie en de koolstof die erin zit vele millennia opgeslagen onder de grond. Als we dit omhoog halen en verbranden voegen we daarmee CO₂ toe aan de koolstofkringloop. Hierdoor wordt het CO₂-gehalte in de atmosfeer steeds wat hoger, waardoor deze meer warmte vasthoudt. Het verbranden van biogas uit vergisting levert ook CO₂ op. Het verschil is dat dit koolstof is die kort daarvoor (in vrijwel alle gevallen minder dan een jaar) is opgenomen uit de atmosfeer. Hierdoor blijft het CO₂-gehalte dus gelijk en de kringloop intact.

In het geval van mono-mestvergisting is er zelfs een positief effect op het broeikaseffect. Dat komt doordat het koolstof uit gras via de koe in mest terechtkomt. Hieruit ontsnapt het in de vorm van CH₄ (Methaan) en dit heeft een 25 maal sterker broeikaseffect dan CO₂. Door de mest zo snel mogelijk in een vergister te pompen en hier in korte tijd zoveel mogelijk methaan te produceren wordt de methaanemissie die anders had plaatsgevonden sterk verminderd. Win-win dus: duurzame energie om fossiele energie te vervangen én minder methaanemissies.

fabels over mestvergisting

 

Over dit artikel

9 juni 2021 / Auteur: Fred Kool MSc

Alle nieuwsberichten

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en maak hieronder een keuze.

Digitale nieuwsbrief Hardcopy nieuwsbrief